‘Hoe meer ik meemaakte, hoe sterker het gevoel om iets voor stervenden te betekenen’

De eindigheid van zorg: wanneer een cliënt sterft

Er is te weinig ruimte voor rouw op het werk. Zo blijkt uit onderzoek van TNS NIPO (2008). Hoe ervaren verzorgenden dit? En hoe kijken rouwdeskundigen ertegen aan? Verschillende meningen passeren de revue. ‘Praten met collega’s werkt het beste.’

Tekst Nicole Mulders

tvv09a

 

Een voorrecht vindt Hannie Philipsen (43) het, om met ster­venden te mogen werken. ‘Prachtig, ondanks het verdriet.’ Als verzorgende werkt ze in hospice Venray. Het centrum voor palliatieve zorg is in 2006 opgericht en biedt ruimte aan zes gasten. Naast Philipsen werken er nog zes verzorgenden, negen verpleegkundigen en pakweg honderd vrijwilligers. ‘Zonder de onbetaalde krachten zou de hospice niet kunnen draaien’, benadrukt ze.  Philipsen volgt momenteel naast haar werk de verkorte opleiding tot verpleegkundige, om in de hospice een vaste aanstelling te krijgen. Dat is niet weg­gelegd voor verzorgenden die alleen op oproepbasis beschik­baar zijn. ‘Zo graag wil ik daar werken.’ Haar motivatie? ‘Ik heb voor de zorg gekozen, omdat ik iets voor anderen wil betekenen. Maar kiezen voor een hospice gaat een stap ver­der. Je kunt zoveel voor iemand doen. Voor mij een heel bewuste beslissing. Ik heb écht met mijn hart gekozen.’

Hoe gaat Philipsen met haar verdriet om, wanneer een cliënt overlijdt? Een gegeven dat op haar werkplek onvermijdelijk is. ‘Praten met collega’s werkt voor mij het beste.’ Op haar werkplek zijn er, los van het werkoverleg, geen vaste momenten waarop dat gebeurt. ‘Al naar gelang je behoefte’, aldus Hannie. ‘En zo hoort het ook. Een vast tijdstip werkt niet. Want dat betekent dat je soms een tijdje moet wachten om je verdriet kwijt te kunnen. En ik kan ook altijd bij de coördinator terecht. Voor mij is dat voldoende.’

Levenservaring

Daarnaast heeft Philipsen na vijfentwintig jaar ervaring als verzorgende geaccepteerd dat de dood bij het leven hoort.

Ook door haar levenservaring. ‘Ik ben privé met nogal wat sterfgevallen geconfronteerd. Dan leer je de dingen een plek te geven. De drang om er voor stervenden te zijn. is er alleen maar groter door geworden. Hoe meer ik meemaakte, hoe sterker het gevoel werd om iets voor stervende mensen te betekenen.’ Philipsen merkt ook op dat haar collega’s alle­maal ouder dan vijfendertig zijn. ‘Jongeren gaan anders met de dood om. Ik denk dat levenservaring nodig is in dit werk.’

Toch ervaart Philipsen, ondanks de goede begeleiding en haar levenservaring, soms ook de harde kant van het afscheid nemen. ‘Vooral als een jong persoon sterft en klei­ne kinderen achterlaat. Dat is heel ingrijpend. Pas stierf bij ons een jonge moeder. Dat is hard. Bij een oudere cliënt met volwassen kinderen ligt dat toch net anders. Dat is beter te accepteren.’

 

tvv09b

Rituelen

‘Iedereen gaat anders met verdriet om. En geeft er op ande­re manieren uiting aan’, aldus Jantine Heuvelink, theoloog en senior medewerker nabestaanden bij de Landelijke Stichting Rouwbegeleiding (LSR), waar zorgverleners (en nabestaanden) regelmatig een beroep op doen met vragen over verliesverwerking. ‘Als iemand zijn werk blijft doen, betekent dat niet dat hij over het verdriet heen is. Iedereen verwerkt dat op zijn eigen manier. De één gaat ogenschijn­lijk onverstoorbaar door. De ander verliest zijn concentratie, wordt onzeker of boos.’ Daarnaast is volgens Heuvelink je gevoel uitschakelen óók een rouwreactie. En regelen van allerlei zaken vaak een kwestie van overleven. ‘Je vormt een buffer om je heen, om de pijn niet te hoeven voelen. Die komt later.’

Rituelen kunnen eraan bijdragen emoties een plek te geven. ‘Je bent immers de bodem onder je leven kwijt. Maar ritue­len moeten wel bij je passen’, nuanceert Heuvelink. ‘Anders werkt het averechts. Voor de één helpen dagenlang praten en herinneringen ophalen, voor een ander juist niet.’

Slijten doet het nooit

Aandacht voor rouw op de werkplek is volgens de theologe essentieel. ‘Leidinggevenden moeten goed beseffen wat de dood van een cliënt voor hun personeel betekent. En daar aandacht aan besteden. Als verzorgende moetje zelf óók aangeven wat voor impact het op je heeft. Kaart het aan.’ Intervisie blijkt verzorgenden goed te doen, weet Heuvelink. ‘Door met anderen te praten, ga je beter met je verdriet om. Een dood van een cliënt is immers geen lopendebandwerk.’ Heuvelink, die o.a. een rouwgroep voor studenten begeleidt, staat zelf door haar dagelijks contact met rouwenden bewus­ter in het leven. ‘Ik stel niet meer uit wat belangrijk is, zoals afspreken met iemand die me dierbaar is.’ Die houding merkt ze ook bij de studenten. ‘Die willen verder met hun leven, ondanks hun verdriet. Zoeken naar zingeving. Dat zie je ook bij verzorgenden. Die koesteren dat ze nog iets voor de overledenen hebben kunnen betekenen. Dat is waarde­vol. Rouwen is stilstaan en doorgaan. Slijten doet het nooit. Maar je leert ermee omgaan.’

Diepgang contact gasten

Ook voor Philipsens collega, Narda van Bree (43), was de keuze voor een hospice een zeer bewuste. ‘Het trok me daar te gaan werken. Je kunt een stervende zijn laatste dagen veel aandacht geven. Iets voor hem betekenen. Ook kun je extra diensten verlenen, die in een verzorg- of verpleeghuis niet mogelijk zijn.’ Zoals de tijd nemen om een gast in bad te laten gaan. ‘Al is dat anderhalf uur, dat maakt niet uit.’ Of voor een praatje of een warme maaltijd ’s avonds, in plaats van ’s middags. ‘Je probeert zo veel mogelijk aan de wensen van de gasten te voldoen.’ Hoe meer uren Narda maakt, hoe meer diepgang ze ervaart in het contact met de gasten. ‘Het is ook anders wanneer iemand weken bij ons is gebleven, of slechts enkele dagen. En natuurlijk, met sommige gasten heb je meer dan met andere. Dat geldt ook voor hun familie.’

Te jong

Narda herkent zich in de ervaring van Hannie Philipsen, over het overlijden van een jonge vrouw onlangs. ‘Dat trek ik me aan. Zo jong sterven en kinderen achterlaten zou niet mogen gebeuren. Ik heb daar meer moeite mee dan wan­neer een tachtigjarig persoon tevreden op een lang leven terugkijkt.’ Ook Narda verwerkt haar ervaringen door er met anderen over te praten. Met haar collega’s, de nabestaanden of haar coördinator. ‘Ik weet dat ik er later nog eens op terug kan komen. Iemand kan aanspreken. Of een collega erover kan bellen.’ Fijn vond ze te merken dat dit sterfgeval haar coördinator ook niet onberoerd liet. ‘Ik voelde dat mijn gevoel serieus werd genomen. Voelde me gerespecteerd.’ Narda vindt dus voldoende gehoor op haar werk. ‘Maar ik maak die behoefte ook makkelijk kenbaar. Belangrijk, zodat ik mijn werk niet mee naar huis neem. Want dan wordt het te zwaar. Maar zodra ik op de fiets stap, laat ik het achter me.’

Toch went een sterfgeval nooit, meent Narda. ‘Ook al weet je dat gasten naar een hospice komen om te sterven. Je ziet vaak dat ze een mooie, rustige dood hebben. Maar soms levert iemand een harde strijd. Daar heb ik moeite mee. Het is dan niet menswaardig hoe ze sterven. Op die momenten denk ik aan hoe ik de dood van mijn (schoon)ouders, of van mezelf, zou beleven.’

Toch knapt in de hospice, tegen de verwachtingen in, een enkele keer een gast op, en verlaat levend het huis. ‘Dat is een heel bijzondere ervaring.’ Ook het contact met de nabe­staanden ervaart ze als speciaal. ‘We geven nazorg. Houden nog een tijdje contact met de familie. We hebben een gast gehad die hier slechts anderhalf uur verbleef. Zijn familie was achteraf erg blij dat hij die korte tijd bij ons had door­bracht. En vonden de opvang en verzorging bij ons erg fijn. Dat geeft enorm veel voldoening. En’, relativeert Narda, ‘ondanks het verdriet hebben we ook veel plezier, en lachen vaak. En ik ben door dit werk veel bewuster gaan leven.’

Ondergeschoven kindje

Evelien Esser, partner van adviesbureau Clarke en Esser, dat verandertrajecten in organisaties begeleidt, ondersteunt via trainingen verzorgenden bij hun rouwverwerking. ‘De meest bevredigende cursussen die ik ooit heb gegeven.’ Esser pleit voor meer aandacht voor rouwverwerking bij zorgpersoneel. ‘Praten over de dood gebeurt te weinig. Ook bij verzorgen­den. Het is een ondergeschoven kindje. Ze zijn nog te weinig gewend het bij elkaar aan te kaarten. Het is veiliger en mak­kelijker om cliënten praktisch bij te staan, bijvoorbeeld met een extra deken, dan bij het verdriet stil te staan. Pas de laatste jaren is er meer aandacht voor.’ Leidinggevenden spe­len daarin volgens haar een belangrijke rol. ‘Die zouden meer ruimte aan hun personeel moeten geven. Of iemand apart moeten nemen. Maar soms blijken ze zelf moeite te hebben over emoties te praten. Vinden dat eng.’ Via boekteksten van Elisabeth Kübler-Ross en Manu Keirse, gesprekstechnieken en bewustwording maakt Esser het onderwerp verliesverwerking tijdens haar trainingen bespreekbaar. ‘Dat moet ingekaderd worden. Ik vertel wat er gebeurt als een mens stervende is. Over het langzaam losla­ten van het leven. Over de belevingen en gevoelens van cli­ënten en nabestaanden. En daarna over die van verzorgen­den zelf. Plompverloren naar hun ervaringen vragen, is te heftig.’ Benieuwd is Esser naar waar zij zelf moeite mee heb­ben. En naar hoe ze met hun eigen ervaringen van verlies omgaan. ‘Ik hoop dat ze goed voor zichzelf zorgen. Het is hun vak eigen om vooral aan anderen te denken.’

Nuchter maar menselijk

Esser merkt dat zorgpersoneel zich in het begin van de trai­ning niet afwachtend opstelt, maar het vooral later fijn vindt te praten over belevingen rondom dood en verlies. ‘Achteraf blijken verzorgenden het erg te waarderen dat ze hun eigen ervaringen als een deel van hun leven kunnen zien.’ Wat is volgens Esser het slechtste scenario, wanneer ze dat niet doen? ‘Dat ze afstandelijk of hard worden. Doordat verzor­genden regelmatig met een sterfgeval te maken hebben, word je nuchter. Dat is niet verkeerd. Dat is professioneel. Maar dat mag niet ten koste gaan van het menselijke in het contact. Als je een cliënt verliest met wie je een goede band had, mag je daar om rouwen. Moet je daar met anderen over kunnen praten. En is het belangrijk om dan goed afscheid te nemen. In je eentje, of bijvoorbeeld met een herdenkingsdienst. Goed afsluiten is essentieel. Doe dat op een manier die bij jou past. En die gezond is. Voor de buis han­gen met een zak chips is verleidelijk, maar vaak niet con­structief.’ Wat ze vooral wil doorbreken, zijn normen en waarden die rond rouwverwerking leven. ‘Iedereen denkt goed te weten hoe dat hoort. Maar, er is niet één juiste manier.’

Esser pleit voor een jaarlijkse herhaling voor haar cursisten. ‘Zodat we elk jaar een stuk verdieping kunnen zoeken in de manier waarop zij met emoties rondom verlies omgaan.
Een rouwproces is uiting geven aan je verdriet en wennen aan de wereld zonder een dierbare.’ De dood is voor haar een mooi onderwerp. ‘Het gaat over het leven. Als je je niet verhoudt tot wat je kwijtraakt, is er ook geen ruimte voor nieuwe dingen.’       •


Erehaag in hospice

Zodra een gast in hospice Venray is overleden, vormen de verzorgenden, verpleegkundigen en vrijwilligers, voordat de overledene wordt weggereden naar het mor­tuarium, in het centrum een erehaag boven de kist. Vervolgens wordt de kist naar de auto gebracht, waarna een quilt van de overledene wordt weggenomen. Er blijft dan nog een quilt op het lichaam liggen. Daarnaast wordt er altijd een kaarsje aangestoken als iemand is gestorven. Voordat de auto wegrijdt, blaast één van de nabestaanden het kaarsje uit.


Hoe om te gaan met het verlies van een cliënt?

neem de ruimte om te rouwen op een manier die het beste bij jou past; vergelijk jezelf niet met anderen

–  neem de tijd om te rouwen: er is geen tijdslimiet

–  bespreek je verdriet met je collega’s, leidinggevende of thuisfront

–  neem ruimte en tijd om afscheid te nemen van je cliënt geef je grenzen aan in wat je aankan


Onderzoek ‘kennisoverdracht rouwzorg’ onder verzorgenden

De Landelijke Stichting Rouwbegeleiding doet in opdracht van Netwerk Palliatieve Zorg voor Terminale Patiënten Nederland (NPTN) onderzoek naar het kennis- en vaar­digheidsniveau van verzorgenden en verpleegkundigen op het gebied van rouw. In het onderzoek wordt onderzocht in hoeverre verzorgenden zich toegerust voelen om te gaan met rouw en verlies. Welke vaardigheden hebben zij in huis? Voelen zij zich voldoende geschoold? Wat erva­ren zij als ondersteunend in hun werk? Is er voldoende gelegenheid om over rouw te praten met collega’s of de leidinggevende. Is er een rouwprotocol? En, is er ruimte om afscheid te nemen van de patiënt? De respons op de enquête was groot, wat duidt op een grote belangstelling voor dit onderwerp. De resultaten van het onderzoek zijn bij het ter perse gaan van deze uitgave bekend en te vinden op de website van de LSR: www.verliesverwerken.nl.